Niek Baar (1991), een absoluut top viool talent, opent onze concertreeks. Hij is de winnaar van het Nederlands Vioolconcours 2018, categorie Oskar Back. Ook is Niek de eerste deelnemer van het talentenprogramma ‘AVROTROS Klassiek presenteert!’.

Baar treedt op met de Amerikaanse pianist Ben Kim (1983), één van de meest veelbelovende pianisten van zijn generatie.

In de pers worden deze twee opkomende talenten ook wel ‘Een gouden duo’ genoemd. Zij staan aan de vooravond van een grote carrière.

Niek Baar en Ben Kim spelen 28 september onderstaand programma. Er zijn nog kaarten, kom ook!

Programma

Johann Severin Svendsen (1840-1911), Romance in G voor viool en piano op. 26.

Jean-Marie Leclair
(1697-1764), Sonate voor viool en Bc in D op. 9 nr. 3 ‘Tambourin’

Ernest Chausson (1855-1899), Poèmeop. 25.

Pablo de Sarasate (1844-1908)
a.    Malagueña op. 21 nr. 1
b.    Habanera op. 26 nr. 2
c.    Romanza Andalusa op. 22 nr. 1

 

Graag laten we u kennis maken met deze componisten, bijzonderheden uit hun leven en natuurlijk de stukken die zij hebben gecomponeerd. Door deze informatieve achtergrond beleeft u het concert waarschijnlijk intenser. Lees hieronder verder.

Edvard Grieg

Edvard Grieg, zoon van een welgestelde zakenman en consul uit het Noorse Bergen, werd muzikaal gezien Duits grootgebracht. Zijn moeder, een begaafd pianiste, onderwees hem vooral in de Duitse muziek, Mendelssohn en Weber. Ook Niels W. Gade, zijn leermeester op het Leipziger Conservatorium waar Grieg van 1858 tot 1862 stond ingeschreven, vond het maar niks dat hij Noorse volksmuziek in zijn composities verwerkte, of in elk geval de sfeer van die volksmuziek creëerde. Grieg was eigenwijs genoeg om dit toch vol te houden en het zou zijn handelsmerk worden, zelfs zozeer dat veel Noren niet weten dat wat zij zelf als volksmuziek beschouwen gecomponeerd is door Grieg.

Te Noors
Ook de tweede vioolsonate uit 1867 was in de ogen van Gade ‘veel te Noors’. Grieg ging er toch mee naar de uitgever, en het stuk, opgedragen aan die andere Noor van vanavond, Johann Severin Svendsen, werd gedrukt zoals Grieg het wilde hebben.

De Sonate
De piano zet in, met een paar akkoorden in g-klein, gevolgd door een kleine guirlande. De viool antwoordt met wat bijna een cadens kan heten. Al snel trekken beide instrumenten samen op en belanden ze bij zes maten in ¾-maat. De viool speelt boven een liggend D7-akkoord een herhaald motiefje en dan gaat de piano zonder overgang verder met het Allegro vivace. Na het eerste, springerige thema in G-groot volgt een door de viool ingezet tweede thema in b-klein, veel liefelijker van karakter. Boven een soort geroffel op A introduceert de viool ook het derde thema, nu in D-groot, dat door zijn ritmiek wat aan het eerste thema doet denken. De doorwerking begint met flarden van het eerste thema, maar ook met de beide andere thema’s gaat de componist aan het werk. In de reprise, ingezet met een driedubbel forte van beide instrumenten, komen alle thema’s nog eens langs, maar nu wat korter achter elkaar. Het deel besluit met een paar maten presto.

De sonate kent niet een echt langzaam deel, want het tweede deel is een allegretto in e-klein, met een prachtige melodie, die door de piano wordt geïntroduceerd en door de viool wordt overgenomen. Na enig passagewerk gaat het verder in E-groot, een mooi rustig middendeel, met halverwege een maat generale pauze. Wanneer dit majeurgedeelte is afgelopen wordt het eerste stuk weer ingezet, en met enige variatie herhaald.

Volksmuziek
Misschien dat het laatste deel nog wel het meest aan de volksmuziek ontleend is. Dat blijkt meteen wanneer de piano begint met liggende kwinten, alsof een doedelzak speelt, of een Hardangerviool met extra resonantiesnaren. De viool speelt een soort boerenbruiloftmelodie daarboven, maar de piano pakt dat natuurlijk weer terug. De muziek gaat bij een langgerekte G op de viool zonder enige overgang naar Es-groot, maar weer met de kwinten er onder. Via chromatisch stijgende lijnen in de linkerhand van de piano komt de muziek weer bij de eigenlijke toonsoort G-groot uit. Het eerste gedeelte van de finale wordt herhaald, en er achteraan wordt nog een klein presto geplakt. Via een paar nadrukkelijk akkoorden in Es en c eindigt de sonate stralend met een G-akkoord.

Johann Severin Svendsen

Svendsen was een tijdgenoot van Grieg, maar hij werd geboren in het toen onbetekenende stadje Kristiania, het huidige Oslo. Zijn vader speelde in de militaire kapel, en de jonge Johann leerde als snel de viool, fluit en klarinet te bespelen. Ook hij studeerde, enkele jaren later dan Grieg, in Leipzig, onder meer bij Ferdinand David, aan wie Mendelssohn zijn beroemde vioolconcert opdroeg. De Duitse invloed is in zijn werken meer prominent aanwezig, hoewel hij zeker gebruik maakte van Noorse elementen in zijn muziek.

De eendelige romance, oorspronkelijk voor viool en orkest geschreven, is echt een vertelling in muziek, mede dankzij de soepele ritmiek in de vioolpartij. Ze begint in G-groot, maar met name het middendeel, in mineur, laat heel wat dramatiek horen. Welke vertelling er bij hoort mag de luisteraar zelf bedenken.

Jean-Marie Leclair

Leclair was op en top een Fransman, en Nederland mag zich gelukkig prijzen dat de man ook een paar jaar, van 1738 tot 1743 hier heeft gewerkt. Drie maanden per jaar musiceerde hij in Leeuwarden voor en met de Prinses van Oranje, Anna van Hannover. Zij was de vrouw van stadhouder Willem IV, en had les op het klavecimbel gehad van niemand minder dan Händel. De rest van het jaar werkte Leclair in Den Haag als een soort freelance kapelmeester. En tussendoor nam hij vioolles in Amsterdam bij Locatelli. Vanaf 1743 tot zijn tragische dood in 1764 – hij werd vermoord, door zijn ex-vrouw? – heeft hij in Parijs gewoond en gewerkt.
Zoals destijds gebruikelijk gaf hij zijn werken per zes of per twaalf uit, zo ook de twaalf vioolsonates op. 9, die hij opdroeg aan … Son Altesse Royale Madame La Princesse D’Orange.

Nummer 3 van de reeks is het bekendst geworden, mede door het slotdeel, maar de eerste drie delen zijn zeker ook de moeite waard. Leclair laat hier zien wat er zoal kan op een viool aan grote sprongen en dubbelgrepen. In het derde deel, de sarabande, mag de violist zich in de herhalingen uitleven op versieringen, en tja, dat laatste deel is zo aanstekelijk, dat het ondanks een middendeel in mineur onmogelijk is het aan te horen zonder vrolijk te worden.

Ernest Chausson

Chausson begon pas laat met een serieuze carrière in de muziek. Op aandringen van zijn vader had hij rechten gestudeerd, en werkte zelfs als advocaat, toen hij zich tot als 24-jarige aan het Parijse conservatorium liet inschrijven voor compositielessen bij Jules Massenet. Veel van zijn werk bleef tamelijk onopgemerkt, tot in 1896 zijn Poèmevoor het eerst in Parijs weerklonk. Bij de officiële première in Nancy werd het werk vrij koel ontvangen, maar een paar maanden later in Parijs barstte na de slotnoten een overweldigend applaus los. Poèmewas zijn zegetocht begonnen en behoort sindsdien tot het standaardrepertoire van violisten.
Het stuk is geschreven op verzoek van Eugène Ysaÿe, een Belgische vioolvirtuoos en –componist. Ysaÿe vroeg om een heel concert, maar dat durfde Chausson niet aan.

Aanvankelijk had Chausson een andere titel in gedachten, Le Chant de l’amour triomphant, naar een gelijknamig verhaal van de in Parijs woonachtige Russische auteur Iwan Toergenjev. Later veranderde hij dat in Poème symphonique– het stuk was geschreven voor viool en orkest – maar uiteindelijk werd het alleen Poème. Vrij snel maakt Chausson er ook bewerkingen voor andere bezetting van, zoals voor viool en piano, maar ook voor soloviool, strijkkwartet en piano.
Het stuk heeft een overwegend meditatief karakter, maar bevat zeker ook heftige passages, en al kort na de inzet van de vioolsolo krijgt de solist een heuse cadens voor de kiezen.

Pablo de Sarasate

De Sarasate – eigenlijk heette hij Pablo Martin Melitón de Sarasate y Navascués – werd als twaalfjarige Spanjaard op het Parijse Conservatorium toegelaten om viool te studeren bij Jean-Delphin Alard, nog steeds bekend van studiewerken voor het instrument. Binnen drie jaar was De Sarasate volleerd en kon hij de wereld nog bijna een halve eeuw verbazen met zijn fabelachtige techniek, die echter altijd in dienst stond van de muzikaliteit. Veel componisten van naam beschouwden het als een eer wanneer De Sarasate hun werken speelde.

Zelf schreef hij ook, zonder uitzondering voor viool, dikwijls met piano, soms met orkest. Zijn eigen muziek wortelt veelal in de traditionele Spaanse muziek, en alleen al om die reden was ze mateloos populair in de rest van Europa, waar men Spanje als een soort interessante exotische uithoek beschouwde. Je zou kunnen zeggen dat zijn Spaanse Dansen op. 21 en 26, en ook zijn Romanzaeen soort gestileerd verlangen uitdrukken, gestileerd, maar wel schroeiend en bijna onvervulbaar.