Duo Milstein speelt op zaterdag 13 april onderstaand programma.

Marice Ravel – Sonate voor viool en piano in a nr. 1 (Sonate posthume)

Felix Mendelssohn – Bartholdy – Sonate voor viool en piano in F (1838)

Ludwig van Beethoven –  Sonate voor piano en viool nr. 9 in A op. 47

Graag vertellen wij je het verhaal achter de componist of het stuk. Lees verder en maak kennis met Beethoven, Mendelssohn en Ravel.

Ravel’s onbekende vioolsonate
Dé vioolsonate van Ravel (1875-1937) is wel bekend. Dat is de sonate in G uit 1927. Minder bekend is dat Ravel al veel eerder, in 1897, een sonate voor viool en piano had gecomponeerd. Die eerste sonate werd pas in 1975 in druk uitgegeven, en staat bekend als de Sonate posthume. Het is een eendelige sonate, zonder tempoaanduiding in woorden. Er staat alleen bij dat er 160 achtste-noten in een minuut gaan. Verder is het lastig de toonsoort en het ritme ‘te pakken’ te krijgen. Dat heeft te maken met de permanente wisseling van maatsoorten: 7/8, 6/8, 4/4, 5/4 enzovoorts. Dat geeft de sonate een dromerig en zelfs oosters karakter. Het is tekenend voor de manier waarop Ravel ook later zijn muziek zou schrijven: voor de uitvoerende is hij heel precies, maar de luisteraar blijft met een onbestemd gevoel van droom en verlangen achter.

Mendelssohn had alles mee
Felix Mendelssohn ((1809-1847), is een groot raadsel in de muziekgeschiedenis. Hij was het tegendeel van het romantische idee van de kunstenaar, die onbegrepen, uitgejouwd en gebukt onder geldzorgen, als een verstotene door het leven gaat, en wiens voortbrengselen pas door latere generaties naar waarde geschat kunnen worden. Maar ja, dan is het te laat. Aldus niet Mendelssohn. Hij was tijdens zijn leven een gevierd componist en pianist, had eigenlijk geen geldzorgen, en hoewel zijn muziek zeker gevoelig is, heeft het nooit het handenwringende karakter van wat voor romantisch door moet gaan. 

Hij had dan ook alles mee. Zijn vader was een zeer bemiddelde bankier, die een huisorkestje er op na kon houden. De jonge Felix was één van de meest buitengewone wonderkinderen in de geschiedenis van de westerse muziek. Met het orkestje van zijn vader kon hij naar hartenlust experimenteren met zijn zogeheten strijkerssymfonieën. Al toen hij nog maar elf jaar oud was schreef hij een eerste vioolsonate in F. Op zijn vijftiende publiceerde hij en vioolsonate in f als zijn vierde opusnummer. Later dat jaar schreef hij nog een begin van een vioolsonate in d, maar die heeft hij nooit afgemaakt. Hij liet het genre vervolgens een aantal jaren rusten, tot 1838. Toen begon hij opnieuw aan een sonate voor viool en piano. Nadat hij hem echter voltooid had, bleef hij op de plank liggen. Een jaar later werkte hij het eerste deel nog eens om, maar hij kwam er niet toe deze sonate uit te geven. Pas in de jaren 70 van de twintigste eeuw besloot Yehudi Menuhin het werk op te nemen en voor uitgave gereed te maken. Het blijkt een typisch Mendelssohn-stuk te zijn. Helder als glas, in alle delen goed gecomponeerd en prettig om te spelen. En prettig om naar te luisteren!

Citaat uit de novelle ‘De Kreutzersonate’
‘Ik herinner mij verder hoe zij elkaar aanzagen, een blik wierpen op de aanwezigen, toen iets tegen elkaar zeiden, en hoe het spel begon. Zij sloeg de eerste akkoorden aan. Zijn gezicht kreeg een serieuze, strenge, sympathieke uitdrukking; scherp de klank controlerend, gleed hij met behoedzame vingertoppen over de snaren en beantwoordde het motief van de piano. En daar begon het …’ 

(..)

 ‘Ze speelden de Kreutzersonate van Beethoven. Kent u het eerste Presto? Ként u het?!’ sprak hij met stemverheffing.
‘Hu. Een vreselijk ding, die sonate. Vooral dat eerste deel. En in ’t algemeen is muziek een verschrikkelijk iets. Waar zit hem dat in? Ik snap het niet. Wat is muziek eigenlijk? Wat doet ze? En waarom doet zij wat ze doet?’

(..)‘In China is muziek een staatszaak. En zo hoort het ook. Moet men dan soms maar dulden dat iedereen die wil één of vele anderen kan hypnotiseren en met ons kan doen wat hij wenst? En vooral als die hypnotiseur de eerste de beste immorele vent is? En dit verschrikkelijke machtsmiddel is nu in ieders handen. Zo bijvoorbeeld dat beginpresto van deze Kreutzersonate. Geeft het pas dit presto in een salon te spelen te midden van gedecolleteerde dames? (..) Op mij althans had dit stuk een onthutsende uitwerking; het was of geheel nieuwe gevoelens, nieuwe mogelijkheden voor me opengingen, waarvan ik nog nooit had af geweten. “Tja, zo is het, helemaal niet zo als ik tot nog toe heb gevoeld en geleefd, maar zo!”, klonk het als het ware in mijn ziel. Wát dat nieuwe was, dat ik voelde, daarvan kon ik mij geen rekenschap geven, maar het bewustzijn van die nieuwe toestand was bijzonder behaaglijk. Want alle personen, ook mijn vrouw en hij, verschenen in een heel ander licht.

Na dit presto speelden ze het mooie andante, dat echter wat gewoontjes is en niets nieuws brengt, met de banale variaties en de zeer zwakke finale.’

Tot zover Poznysjev, de hoofdpersoon in de niet minder dan twaalf keer verfilmde novelle ‘De Kreutzersonate’ uit 1891 van Lev Tolstoj (1828-1910). Poznysjev verdenkt zijn vrouw het instuderen van deze sonate te gebruiken als dekmantel voor een ongeoorloofde relatie met een begaafd violist. Tolstoj had van veel dingen verstand, maar als hij muziek beschrijft in zijn magistrale boeken, vliegt hij meer dan eens uit de bocht. Zo ook hier.

Meesterwerk van Beethoven
De Kreutzersonate is Beethovens meesterwerk voor piano en viool. Inderdaad, eerst de piano. In 1803 schreef men nog vioolsonates waarbij de piano in alle opzichten een belangrijker rol had dan de viool, maar dat betekent niet dat we moeten denken dat de viool in deze sonate en ondergeschoven kindje is. Beide partijen zijn zeer virtuoos, en vergen het uiterste van de muzikaliteit van de uitvoerenden.

In tegen stelling tot wat Tolstoj beweert begint niet de piano, maar mag de viool de sonate openen met een motief van vier maten in ¾. De instrumenten spelen elkaar de bal toe, en achttien maten met een korte fermate begint een presto in a-klein. Het is een gejaagd stuk in de klassieke sonatevorm, met een paar mooie rustpunten. Hier en daar doet de pianotechniek aan Beethovens pianosonate ‘Pathétique’ denken. Na dit heftige presto komt een variatiereeks in F-groot, waarin zowel van de piano als van de viool steeds meer gevraagd wordt. Het slotpresto begint met een fors akkoord, opnieuw in A-groot, in een 6/8-maat. Ook vanwege de jachtig herhaalde nootjes in het begin doet het sterk aan een razende tarantella denken. We mogen aannemen, dat Rudolph Kreutzer, aan wie Beethoven deze sonate opdroeg, een geweldige violist geweest is. Beethovens karakteristiek van deze man luidt: ‘Seine Anspruchslosigkeit und Natürlichkeit ist mir lieber als alles Extérieur und Intérieur der meisten Virtuosen.’

In één ding had Tolstoj natuurlijk wel gelijk: deze sonate dóet wat met je!