Het Dudok Quartet Amsterdam was eerder te gast bij de Concerten bij Kaarslicht in Jisp. Het optreden was overweldigend en is de reden om dit ensemble weer uit te nodigen. Dit jaar met een concert waarin Haydn centraal staat: Haydn – OPUS20.

Het Dudok Quartet Amsterdam stelt zichzelf ten doel muziek te maken die ontroert, ontregelt en een onuitwisbare indruk maakt. De afgelopen jaren is het kwartet zich bewust geworden dat naast excellente uitvoeringen, ook andere zaken bepalen of muziek bij het publiek aankomt.

De impact van concerten blijkt, zoals onderzoekt aantoont, ook sterk afhankelijk van de context en duiding van de muziek. Het kwartet introduceert daarom tijdens de concerten van Haydn – OPUS 20 drie inhoudelijke interventies om ervaring van de Opus 20-kwartetten te intensiveren.

Deze bijzondere toelichting in combinatie met de intieme sfeer in de Jisper Kerk, zal de avond extra speciaal maken. Er zijn nog kaarten voor hun concert op zaterdag 26 oktober. 

Programma

Franz Joseph Haydn (1732-1809), Strijkkwartet in g op. 20 nr. 3, Hob. III:33
1.     Allegro con Spirito
2.     Minuetto. Allegretto
3.     Poco Adagio
4.     Finale. Allegro Molto

Bewerkingen
Het Dudok Quartet heeft zich mede een zekere faam verworven door het maken van bewerkingen van (oude) koormuziek voor de eigen bezetting.

Op het programma staan:
a.     Carlo Gesualdo (1566-1613) – uit Madrigali, Libro Sesto (1611):
Nr. 16. Moro Lasso, al mio duolo
Nr. 9. Deh come in van sospiro
b.     Josquin Desprez (± 1450-1521), Mille Regretz
c.     Jan Pietersz. Sweelinck (1562-1621), uit Premier Livres des Psaumes de David (1604/1624), Psalm 92, SwWV.92, O que c’est chose belle

 

Johannes Brahms (1832-1897), uit 5 Gesänge für gemischstes Chor op. 104 (1886-1888): nr. 5. Im Herbst

Johannes Brahms, Strijkkwartet nr. 1 in c op. 51 nr. 1
1.     Allegro
2.     Romanze: Poco adagio
3.     Allegretto molto moderato e comodo
4.     Allegro

Net als het Dudok Amsterdam Quartet geven wij graag informatie over de stukken en componisten. Lees hieronder waarom Haydn zo belangrijk is geweest in de Westerse muziekgeschiedenis en de hoge eisen die Brahms stelde aan zijn kwartetten.

Franz Joseph Haydn

De invloed van Joseph Haydn op de Westerse muziekgeschiedenis kan nauwelijks overschat worden. Hij heeft veel innovaties vormgegeven zowel in het genre van de symfonie, het strijkkwartet en het pianotrio, als ook in de muzikale vormen, met als belangrijkste opbrengst de zogeheten sonatevorm, die nog steeds gebruikt wordt.

Opus -20 maakt genre volwassen

De zes strijkkwartetten op. 20 vormen een mijlpaal in de geschiedenis van het strijkkwartet. Je zou zelfs kunnen zeggen dat in op. 20 Haydn het genre volwassen heeft gemaakt, ook ten opzichte van zijn eerdere kwartetten. Waar zit hem dat in?

In de vroege jaren 70 van de 18e eeuw begon een nieuwe filosofische en culturele wind door Europa te waaien. Die bereikte ook het hof van Prins Nikolaus Esterházy, ten zuiden van Wenen, waar Haydn kapelmeester was. Kort gezegd was het de echo van de roep van de Franse filosoof Jean-Jacques Rousseau ‘terug naar de natuur’, waardoor aandacht kwam voor invloeden vanuit de volkscultuur, en eenvoud en transparantie in de vormgeving belangrijk werden. En in de Duitstalige gebieden was er de Sturm und Drang-beweging, waarbij ruimte gegeven werd aan het gevoel, aan extase en individualisme. Dit betekende voor Haydn dat hij afstand wilde nemen van de galante stijl, de Rococo, met zijn gestileerde hoffelijkheid en krulletjes, en dat de muziek ‘inhoud’ moest hebben. Dat zien we terug in de serie strijkkwartetten op. 20, die stamt uit 1772.

Voorbeelden van kwartetten met inhoud

  • Twee van de kwartetten, de nummers 3 en 5 staan, in een mineurtoonsoort, ondenkbaar in galante gebruiksmuziek.
  • Sommige delen eindigen niet met en paar forse forte-akkoorden, maar piano.
  • Het menuet van nummer 4 krijgt als toevoeging ‘alla zingarese’, ‘op zijn zigeuner-Hongaars’.
  • De frasen zijn niet meer allemaal stukjes van vier of acht maten, maar de openingsfrase van nr. 3 telt twee maal zeven maten, en het menuet ervan bestaat uit twee muzikale zinnen van elk vijf maten.
  • Drie van de kwartetten hebben een fugatische finale, een vorm die ernst en diepgang symboliseert.
  • En, last but not least, Haydn behandelt elk instrument als gelijkwaardig aan de andere drie, waardoor het kwartet zijn karakter krijgt, zoals Goethe het uitdrukte, van ‘een gesprek tussen vier verstandige mensen’.

Anders dan in de boekjes
In het eerste deel van het kwartet in g-klein laat Haydn meteen al horen dat hij anders werkt dan het in de boekjes staat. Hij begint met frases van zeven maten in plaats van acht, en ook sommige unisono-passages zijn niet forte, zoals gebruikelijk, maar piano. Niet de vorm – hoewel die uitermate overzichtelijk is – maar de inhoud, de expressie, staat voorop.

Ook het menuet zet primair in op expressie. Het is, mede door de frases van vijf maten, helemaal niet dansbaar. De hele sfeer ervan is trouwens nogal tragisch, zelfs van het trio, dat toch in Es-groot staat. Het eindigt ‘penderosi’,  zich verliezend.

Het Poco adagio in G-groot is een lang, zangerig stuk, dat vooral als duet tussen de eerste viool en de cello is vormgegeven.
De finale staat weer in g-klein, en Haydn maakt een uitermate effectief gebruik van het onverwacht afbreken van passages om de luisteraar te verrassen. Ook dit deel eindigt zacht, en niet met de gebruikelijke forte-akkoorden.

Johannes Brahms

Terwijl Haydn zo’n zeventig strijkkwartetten schreef kwam Brahms niet verder dan drie, al schijnt het dat hij voor de publicatie van zijn op. 51 ongeveer twintig voor hemzelf onbevredigende pogingen ondernomen heeft. Zijn strijkkwartetten waren zware bevallingen, en van de eerste twee kwartetten weten we dat zijn vriend Joseph Joachim al in 1865 vroeg of ze klaar waren, terwijl Brahms pas in 1873, tijdens een vakantie in Tutzing, de laatste hand er aan legde. Daarvoor waren ze blijkens een andere brief uit 1869, wel speelklaar, maar Brahms was er nog niet tevreden over en schaafde nog een paar jaar door.

Deze zelfkritische houding kwam voort uit de opvatting van Brahms – en van veel van zijn tijdgenoten – dat een strijkkwartet niet zo maar iets was, maar als een uitermate serieus te nemen genre gold. De schaduw van de volmaakte kwartetten van Ludwig van Beethoven viel er overheen.

Waar vakmanschap
Niettemin hoefde Brahms zich voor zijn eersteling op dit terrein zeker niet te schamen. Het eerste deel is een toonbeeld van doorwrocht vakmanschap, dat echter volledig ten dienste staat van de sfeer en de expressie van de muziek. Zeker in de doorwerking krijgt het deel zelfs symfonische allures, door een uitermate ingenieus gebruik van het hoofdmotief, waarmee het deel ook opent.
Het tweede deel is een volmaakt stuk berusting. Een kalme melodie, die aanvankelijk door de eerste viool wordt voorgedragen en later door de cello, afgewisseld met stukjes van een groot ritmisch vernuft.

Meesterstuk met weinig lof
Het Allegretto is een meesterstukje van klank en stemming. Het chromatisch verlopende thema vertoont enige verwantschap met een deel van het hoofdthema uit het eerste deel. Het middendeel staat in een vriendelijke driekwartsmaat – de rest in vier-achtste – en toont Brahms eventjes van de zonnige kant.

In de finale is dat zonnige wel over. Het is een onrustig deel, fel en duister, dat veel materiaal uit de vorige delen bundelt, en door zijn dichte weefsel van stemmen opnieuw een symfonisch karakter krijgt.

De ontvangst van Brahms’ op. 51 na de eerste uitvoeringen in oktober en december 1873 was lauw, ‘respectvol, maar zonder enthousiasme’. Men vond eigenlijk dat kwartetten als deze schrijven niet meer kon, na Beethoven en Schubert.

Inspirator voor 20ste eeuw
Niettemin inspireerden Brahms’ kwartetten ondanks het ouderwetse imago van de componist als ‘anti-Wagneriaan’ componisten in de 20ste eeuw zoals Bartók en Schönberg tot het schrijven van eigen kwartetten. Laatstgenoemde prees deze kwartetten vanwege hun vooruitstrevende harmonische ontwikkelingen en de manier waarop Brahms elk deel vanuit een klein motief ontwikkelde in zijn beroemde lezing uit 1933 – in 1947 omgewerkt tot essay – over Brahms als progressief componist (Brahms der Fortschrittliche).

Het Dudok Quartet Amsterdam speelt bovenstaande stukken op zaterdag 26 oktober 2019.