Quirine Viersen speelt zaterdag 22 februari vier van de zes cellosuites van Bach. Deze muziek is haar op het lijf geschreven. Met name na de geboorte van haar tweeling beseft ze meer dan ooit dat muziek van Bach altijd gaat over het leven in de breedste zin van het woord, en uitdrukking geeft aan de zin van het bestaan. Balsem voor de ziel.

Het was voor Bach een heel gepuzzel om een stuk alleen voor de cello te componeren. De viool kende hij uitstekend maar een cello is toch echt weer iets anders. Lees meer over het componeren van de cellosuites.

 

Het is altijd fijn als musici terug willen komen naar de Concerten bij Kaarslicht en wij kijken er dan ook naar uit om Quirine voor de tweede keer te ontvangen.

Het concert is uitverkocht! 

Programma

Johann Sebastian Bach (1685-1750), Suites voor cello solo

Suite nr. 3 in C, BWV 1009
Prelude – Allemande – Courante – Sarabande – Bourrée – Gigue

Suite nr. 2 in d, BWV 1008
Prelude – Allemande – Courante – Sarabande – Menuet – Gigue

 

Suite nr. 4 in Es, BWV 1010
Prelude – Allemande – Courante – Sarabande – Bourrée – Gigue

Suite nr. 1 in G, BWV 1007
Prelude – Allemande – Courante – Sarabande – Menuet I & II – Gigue

Quirine speelt met gevoel

De cellosuites zijn al emotioneel geladen maar als Quirine Viersen ze speelt, worden ze magisch. Luister zelf maar.

Gecomponeerd in een ontspannen tijd

Bach schreef zijn cellosuites in de periode dat hij in dienst was van de vorst van Köthen (1717-1723). Dat was een tijd van ontspannen musiceren. Omdat de vorst calvinistisch was hoefde er niet, zoals later in Bachs tijd in het lutherse Leipzig, iedere week een cantate uit zijn pen te vloeien, en kon hij zich helemaal toeleggen op instrumentale muziek. In Köthen ontstonden bijvoorbeeld Das Wohltemperierte Klavier I, de suites en sonates voor vioolsolo, de Brandenburgse Concerten en dus ook de cellosuites.

Wat is een suite?

De dansen die Bach schrijft zijn niet bedoeld zijn om op te dansen. Ze zijn zeer gestileerd, zeker in vergelijking met de sensuele (sarabande) en erotisch geladen (jig) dansen waarvan ze zijn afgeleid. Al in Bachs tijd werd de suite gezien als een reeks instrumentale stukken, waarvan vooral de toonsoort de verbinding vormde. Bach, die zelf meer dan 45 suites schreef, gaat echter verder en hij wil in zijn suites niet slechts verstrooiing bieden, maar een gedachte, een gemoedsbeweging overbrengen.

Het oor is het voorportaal van de ziel

Juist omdat hij in deze tijd veel met instrumentale muziek bezig was Bach geboeid door de vraag hoe die zogeheten affecten zonder woorden konden worden overgebracht.

Volgens sommige musicologen zoekt Bach daartoe aansluiting bij de klassieke retorica van Quintilianus. Met name in zijn cellosuites, die alle volgens het zelfde schema zijn opgebouwd, zou dat duidelijk zijn.

Elke suite/redevoering bestaat uit een Prelude, Allemande, Courante, Sarabande, Menuet of Bourrée of Gavotte, en een Gigue. De Prelude is dan de inleiding, de stellingname (propositio) vindt plaats in de Allemande, de situatieschets (narratio) in de Courante, de bewijsvoering (confirmatio) in de Sarabande, de aan de tegenstander toegeschreven maar handig gepareerde tegenwerpingen (refutatio) in het Menuet (suite 1 en 2), de Bourrée (suite 3 en 4) of de Gavotte (suite 5 en 6), en de slotconclusie (peroratio) in de afsluitende Gigue.

Deze redenering past uitstekend in de opvatting – ook al weer volgens Quintilianus – dat het oor het voorportaal is voor de ziel. 

Voor wie schreef bach de suites?

Voor wie Bach zijn suites heeft geschreven is niet geheel duidelijk. Voor zover we weten speelde hij zelf geen cello. Ook zijn broodheer Leopold, hoewel een vaardig violist, gambaspeler en klavecinist, bezat wel meerdere cello’s, maar bespeelde het instrument niet.

Het meest waarschijnlijk is dat de suites ten doop zijn gehouden door Christian Bernhard Linigke, de meest bekwame cellist van het zestien man tellende orkest van Leopold. Anderen veronderstellen dat de suites zijn gecomponeerd voor Christian Ferdinand Abel, die weliswaar de viola da gamba als zijn hoofdinstrument had, maar eveneens een uitstekend cellist was.

Gepuzzel

De suites vormen behalve een onderzoek naar retorica in de muziek ook een compositietechnische exercitie. Bach kende de viool uitstekend en wist dus hoe op een melodie-instrument meerstemmigheid moest worden gespeeld dan wel gesuggereerd. Nu kon hij die kennis transformeren naar de cello.

De vingerzettingen bij de cello laten echter niet alles toe wat op de viool wel mogelijk is. Dat komt door de grotere afstanden die op de snaren tussen de tonen zitten. Daardoor zijn positiewisselingen veel vaker nodig, en dat beperkt weer de mogelijkheden voor meerstemmige passages.

Bach heeft dus echt moeten puzzelen om dat voor elkaar te krijgen. Niettemin heeft zijn genie hier een standaardwerk voor cellisten afgeleverd, waar menige musicus nooit op uitgekeken raakt. Het aantal uitvoeringen én bewerkingen – zelfs voor trombone-solo – is bijna oneindig.